|
Het beganegrondse in de toren vormt een portaal, dat in twee traveeën gedeeld is door kruisribgewelven, in de hoeken rustende op ronde muurschalken, die zonder basement op lage stenen zitbanken staan. Bij de werkzaamheden van 1870-1874 en 1879-1880 is het portaal, of de hal, niet aangeraakt en de noodzaak daartoe bestond te minder omdat het al lang niet meer als toegang tot de kerk dienst deed. Allerlei gegevens omtrent de structuur en de bouwgeschiedenis van dit portaal zijn aan het licht gekomen sedert het in fasen, van 1959 tot 1966, gerestaureerd werd om weer als ingang tot de kerk dienst te kunnen doen. Daarbij werd eerst begonnen met het afbikken van het pleisterwerk, dat overigens eerst niet onderzocht is, hoewel het van oude datum geweest kan zijn. Het portaal deelde in de regelmatige schilderbeurten van de kerk, zoals blijkt uit een bestek daarvoor: ‘Het Luijhuijs onder den toorn in 1767 en 1771 tweemaal witten en van onderen met zwartsel zwart maken’.91 Maar daarna zijn de bodem en het muurwerk uitvoerig onderzocht ter aanvulling van de waarnemingen die Mosmans al in 1919 publiceerde.92 In het geheel werden vijf opeenvolgende vloerniveaux vastgesteld, waarvan de oudste vloer, uit baksteen, bij de romaanse toren behorende, maar liefst 1,84 m lager ligt dan de huidige vloer. De noord- en de zuidmuur van het portaal zijn elk onderaan bezet met rondboogvormige spaarnissen, die beginnen op 1 m hoogte en waarvan de boogkruin (binnenwelfvlak) op een hoogte van 5 m vanaf de oorspronkelijke vloer ligt, 1,40 m vanaf de huidige vloer. Door de stenen zitbanken ervoor worden zij deels aan het oog onttrokken. In de vier hoeken rezen vanaf het oudste, laagste, vloerniveau, driekwartronde bakstenen kolonnetten op van een plint en een basement (torus en congé). | 415 |
|
In de noordoosthoek stoot tegen de plint van de kolonnet een lagere plint aan, die omloopt langs de dagkant van de wijde, diepe doorgang van toren naar kerkschip. Het wandvlak, waarin zich het tweetal nissen bevindt, gaat tot een hoogte van 4,50 m vanaf het laagste vloerpeil op en springt dan 0,65 m terug. In later tijd is hiertegen een 0,40 m dikke beklamping gezet in kleiner baksteenformaat (25 à 26 × 5,6 cm, 10 lagen 66 cm). Achter de middenkolonnet van de noordmuur, de kolonnet die het huidige gewelf draagt, zette oorspronkelijk boven de terugsprong in het metselwerk een venster aan met schuine dagkanten en een staande dagkantsteen van 8 cm dikte, waartegen zich een loodraam met glas bevonden kan hebben. De toog van het venster bevindt zich hoog achter de huidige gewelfschelpen. Toen dit venster later buiten gebruik gesteld werd, is het niet helemaal dichtgemetseld, maar in de linkerhelft werd een ruimte uitgespaard en enigszins westwaarts in de dikke muur uitgebroken; de afzaat werd tot twee traptreden en een vloer gelijkgekapt, in de zijkant werd een kaarsennis gehakt. De voorkant werd nog later tot een plat, erkerachtig uitbouwsel op de afzaat van de gotische blindnissen uitgekraagd, en daarin gaf een deur toegang tot een kleine, ongeveer 2 × 2,50 m in grondvlak en 3 m in hoogte metende ruimte. Dit kamertje of deze kast, 4 m boven het huidige vloerpeil gelegen, was slechts door een losse ladder bereikbaar en diende wellicht een tijd lang als ‘stadscomme’, bewaarplaats van de stedelijke privilegebrieven.93 Verder werd het venster dichtgezet, maar niet massief; tot de top toe is er een holte overgebleven. De ‘stadscomme’ was eertijds vermoedelijk toegankelijk door een houten spiltrap in de noordwesthoek van het torenportaal. Bij de werkzaamheden in 1959 en volgende jaren kwamen afgebrande treden daarvan tevoorschijn, één exemplaar wordt in de bouwloodsen bewaard. Deze trap kan ook toegang gegeven hebben tot een orgeltribune. Duidelijk zichtbaar zijn aan de noord- en zuidkant grote ontlastings- of schildbogen in baksteen, die later met ongeveer een halve steendikte zijn afgehakt en daardoor in één vlak zijn komen te liggen met de jongere beklamping. De aanzet van deze bogen ligt zo ver binnenwaarts, dat een verband met de op het eerste, laagste, vloerpeil gevonden hoekschalken niet schijnt te bestaan. De noordelijke en zuidelijke boog liggen wat hoger (13 m vanaf de oudste vloer) dan de grote bakstenen boog die de opening naar het schip der kerk vormt (12 m) en die ook nog geheel zichtbaar is. In de westmuur is het spoor van de rondboog onmiddellijk onder het gewelf (op een hoogte van 12,50 m) zichtbaar. Hoewel die schildbogen dus niet tot dezelfde bouwperiode behoren als de hoekkolonnetten, doch ouder zijn, kunnen zij toch wel een gewelf gedragen hebben. De oude zuidoostelijke spiltrap kwam boven de hoogte van die bogen uit. De uitgang van de trap is boven het huidige gewelf wat uitgebroken en dichtgemetseld. Vermeld is al, dat in de doorgang van de toren naar de kerk de zuidelijke dagkant van een verzwaring is voorzien, koud tegen het oudste metselwerk aangezet en opgaand tot een hoogte van 9,60 m. De tegenoverliggende, noordelijke dagkant, is daarentegen niet veranderd en opmerkelijk is, dat daar op 3,25 m en op 4,75 m vanaf de oorspronkelijke vloer gedichte balkgaten aanwezig zijn, die erop wijzen, dat hier eenmaal een door korbelen ondersteunde balklaag aanwezig was, die misschien ook in het torenportaal zelf doorliep, in aanmerking genomen dat zich in de noordelijke torenmuur ook inkassingen voor korbelen of balken bevinden. Mogelijk hebben zulke balklagen iets van doen met de oorspronkelijke opstelling van een orgel, dat reeds in 1504 als ‘staande after aen den thoren’ vermeld wordt. In de westmuur van het torenportaal is de gotische ingang, te zamen met het bovenvenster, uitgehakt, met schuine dagkanten. De gehele, diepe spitsboog om het venster heen en het metselwerk daarboven, tot de ontlastende rondboog, werden er toen nieuw ingemetseld. De verdere gotische verbouwingen van het torenportaal vallen in twee perioden uiteen. Op de terugsprong van de benedenpartij werd door muurdammen van mergelsteen een indeling in twee traveeën tot stand gebracht. Tussen die dammen bevinden zich telkens drie montants van een blindnistracering, eveneens van mergelsteen. Van de koppen der nissen is niets bewaard en het valt niet meer na te gaan, hoe montants èn dammen bovenaan hun afsluiting vonden. Al deze mergelstenen stijlen en dammen vertonen sporen van brandschade en zijn daarna vlak afgekapt, de dammen met schuine kanten. In deze beschadigde structuur is de oorspronkelijke romaanse wand met een baksteen van 12 × 23 × 6 cm bezet, ook over de ontlastende rondboog heen, die boog volgende, en ook daarboven. Tegen de dammen werden, in andere afmetingen, de spitse schildbogen der huidige gewelven geslagen. Tegen de dammen rijzen kolonnetten op, die geen brandsporen vertonen en wellicht de opvolgers zijn van door brand beschadigde en weggehakte. Immers, reeds vanaf het oudste vloerniveau gaan hoekkolonnetten op. De middenkolonnetten die bij het tegenwoordige gewelf behoren, tussen beide traveeën in geplaatst, vinden hun basis eerst op het vierde vloerniveau, ongeveer 45 cm onder het huidige en 1,50 m boven het eerste, zonder een eigen basement te hebben. Bij de bouw van de huidige gewelven is de middenkolonnet in ongewijzigde vorm in baksteen opnieuw opgetrokken, maar de hoekkolonnetten zijn vanaf het tegenwoordige vloerpeil dunner dan daaronder. | 416 |
|
De gehele tegenwoordige gewelfstructuur met haar dragers in het midden dient met de datum van de vierde vloer, een vloer uit Ledesteen, 0,45 m onder de huidige, in verband gebracht te worden, waarbij ook de afzaten onder de grote blindnissen behoren. Zij behoren tot de jongste bouwperiode, waarna niets wezenlijks meer veranderd is. Op de schalken en hoekkolonnetten rusten gebeeldhouwde kapitelen met twee kransen van losse, bultige koolbladeren, gedekt door achtkante dekplaten. Het oostelijke van de twee gewelven is een kruisribgewelf met een sluitsteen in de vorm van een rozet. In het westelijke ribgewelf is een groot rond hijsgat uitgespaard voor het optakelen van klokken (diameter in de dag: 2,20 m, diameter van de grootste klok, die van Jacob Noteman uit 1641: 2,10 m). Het gat is omgeven door een geprofileerde ring die aan één kant met de gordelboog verenigd is en waartegen de diagonale ribben aansluiten alsmede een korte rib op de kruin van het westelijk gewelfveld. De ribben vertonen als profiel een peerkraal, gevolgd door een schuine kant, een hol en weer een schuine kant. De bakstenen gewelven hebben steensdikte in een formaat van 21 × 4,5 cm. De ribben waren eerst rood beschilderd, daarna okerkleurig met een rode bies; de sporen daarvan zijn bij de restauratie van 1959-1966 enigszins opgehaald. Het metselwerk van wanden en gewelven is bij deze restauratie schoongemaakt, ingeboet, opgevoegd en opnieuw bepleisterd; langs de vloer is een plint van Naamse steen gemaakt, onder de kolonnetten een blok van Naamse steen en een basement van Vaurion. De restauratie gaf de gelegenheid, het portaal weer als een ruime hal vrij te maken, nadat de pompinstallatie van de brandbeveiliging verwijderd was. Een zolder die hoog in het portaal gelegd en met de orgeltribune verbonden was, alsmede de eikehouten wenteltrap die in de noordwesthoek stond, werden verwijderd en in de zuidoosthoek leidt een nieuwe houten trap rechtstreeks naar een bordes dat toegang geeft tot de achterkant van de orgeltribune. De grote houten boog, waarin rustieke blokken gesneden zijn en die op vierkante toscaanse pilasters rust, werd uit het midden van de oosttravee naar de ingang van het schip verplaatst. | 417 |
| Noten | |
| 91. | Conditien voor het schoonmaken der kerken 1 mei 1767-30 april 1773, KA, Map Bestekken onderhoud der kerken. |
| 92. | MOSMANS 1919, 52-67. |
| 93. | Ibid., 56; MOSMANS 1931, 31; VAN DE LAAR 1980, 138-139. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 415-417
| 2021 |
Ton Vogel en Ed WagemakersHet haantje op de toren van de Sint-Jan
Bossche Kringen 1 (2021) 5, 31
|
Harry Boekwijt, Ronald Glaudemans en Wim Hagemans, De Sint-Janskathedraal van 's-Hertogenbosch (2010) 45
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 415-417